
Jurisprudentie
AZ0386
Datum uitspraak2006-10-17
Datum gepubliceerd2006-10-18
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers06/460348-06
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-18
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers06/460348-06
Statusgepubliceerd
Indicatie
De rechtbank veroordeelt verdachte voor poging tot doodslag, zijn aandeel in het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en diefstal door twee of meer verenigde personen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Uitspraak
RECHTBANK ZUTPHEN
Sector Straf
Meervoudige kamer
Parketnummer: 06/460348-06
Uitspraak d.d.: 17 oktober 2006
tegenspraak/ dip
VERKORT VONNIS
in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [plaats] op [geboortedatum],
wonende te [plaats],
thans gedetineerd in Hvb Ooyerhoekseweg te Zutphen.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
3 oktober 2006.
De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 11 juni 2006, te 's-Heerenberg, gemeente Montferland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter
uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachto[slachtoffer A] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer A], terwijl die op de
grond lag, met geschoeide voet, meermalen althans eenmaal (met kracht) tegen
het hoofd te schoppen en/of te trappen, terwijl de uitvoering van dat
voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
art 287 Wetboek van Strafrecht
art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht
art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
ALTHANS, dat
hij op of omstreeks 11 juni 2006 te 's-Heerenberg, gemeente Montferland, ter
uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon
genaamd [slachtoffer A], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met
dat opzet die [slachtoffer A], terwijl die op de grond lag, met geschoeide voet,
meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) tegen het hoofd heeft geschopt
en/of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is
voltooid;
art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht
art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht
2.
hij op of omstreeks 11 juni 2006 te 's-Heerenberg, gemeente Montferland, met
een ander of anderen, op of aan de openbare weg, [straat], in elk
geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd
tegen [slachtoffer A], welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal
slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen tegen het lichaam van die
[slachtoffer A] en/of het geven van een elleboogstoot in de nek, althans op het
lichaam en/of het op de grond duwen/of slaan van die [slachtoffer A];
art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht
3.
hij op of omstreeks 11 juni 2006, te 's-Heerenberg, gemeente Montferland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het
oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een portemonnee
(o.a. inhoudende geld en/of een pools rijbewijs en/of een bankpas) en/of een
mobiele telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan
[slachtoffer A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of
zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of
gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer A], gepleegd met
het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of
om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere
deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken, en/of het
bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met
geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of verdachte's mededader(s) die
[slachtoffer A] op/tegen het hoofd en/of het lichaam en/of heeft/hebben gestompt en/of
geslagen en/of een stoot met de elleboog in/tegen de nek en/of tegen het hoofd
en/of het lichaam heeft/hebben gegeven en/of die [slachtoffer A] tegen de grond
heeft/hebben gegooid en/of geduwd en/of geslagen;
art 310 Wetboek van Strafrecht
art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht
ALTHANS, dat
hij op of omstreeks 11 juni 2006 te 's-Heerenberg, gemeente Montferland,, in
elk geval in Nederland, een geldbedrag heeft verworven, voorhanden heeft gehad
en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het
voorhanden krijgen van geldbedrag wist dat het (een) door misdrijf verkregen
goed(eren) betrof;
art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht
Taal- en/of schrijffouten
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 primair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:
Feit 1 primair:
hij op 11 juni 2006 te 's-Heerenberg, gemeente Montferland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer A] van het leven te beroven, met
dat opzet die [slachtoffer A], terwijl die op de grond lag, met geschoeide voet, met kracht tegen het hoofd te schoppen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is
voltooid;
Feit 2:
hij op 11 juni 2006 te 's-Heerenberg, gemeente Montferland, met anderen, op of aan de openbare weg, [straat], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd
tegen [slachtoffer A], welk geweld bestond uit het meermalen stompen en schoppen en trappen tegen het lichaam van die [slachtoffer A] en het geven van een elleboogstoot in de nek, en het op de grond duwen van die [slachtoffer A];
Feit 3 primair:
hij op 11 juni 2006, te 's-Heerenberg, gemeente Montferland, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een portemonnee (o.a. inhoudende geld en een Pools rijbewijs en een bankpas) en een
mobiele telefoon, toebehorende aan [slachtoffer A].
Bewijsoverweging feit 1 primair
Namens verdachte is geconcludeerd tot vrijspraak van het onder feit 1 primair ten laste gelegde. Betoogd is dat, nu ernstig hoofdletsel bij het slachtoffer afwezig is, er sprake is van een absoluut ondeugdelijke poging. Dit verweer wordt verworpen. Het onder feit 1 tenlastegelegde ziet op de na het groepsgeweld en vlak voor de beroving van het slachtoffer door verdachte uitgedeelde (voetbal)trap tegen het hoofd van het slachtoffer. Anders dan betoogd behoeft bij het bewezen kunnen verklaren van poging tot doodslag (ernstig) letsel zich niet geëffectueerd te hebben. Het begin van uitvoering is gegeven met de (voetbal)trap tegen het hoofd van het slachtoffer, welke trap, gelet op de zich in het dossier bevindende verklaringen, van zodanige aard was dat het de dood van het slachtoffer teweeg had kunnen brengen.
Bewijsoverweging feit 2
Het namens verdachte terzake aangevoerde stuit af op de inhoud van de bewijsmiddelen.
Bewijsoverweging feit 3 primair
De rechtbank is van oordeel, dat niet is komen vast te staan, dat de onder feit 3 tenlastegelegde geweldshandelingen zijn gepleegd met het oogmerk om de diefstal voor te bereiden of om een andere in de tenlastelegging genoemde reden. Kennelijk is, nadat het nodige geweld was uitgeoefend, het idee ontstaan om het slachtoffer te beroven. Met het feit, dat het slachtoffer in een zodanige toestand is komen te verkeren, dat het gemakkelijker was geworden om hem te beroven, is echter niet tegelijkertijd gegeven dat bij het uitgeoefende geweld het oogmerk daarop gericht is geweest. Voor de door verdachte nog vlak voor de daadwerkelijke beroving uitgedeelde (voetbal)trap tegen het hoofd van het slachtoffer geldt hetzelfde.
Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezene levert op de misdrijven:
Feit 1 primair:
Poging tot doodslag.
Feit 2:
Het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
Feit 3 primair:
Diefstal door twee of meer verenigde personen.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Oplegging van straf en/of maatregel
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I).
De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden - de rol die verdachte heeft gespeeld ten tijde van de geweldpleging en het zinloze en grove karakter van het groepsgeweld dat is toegepast. Verdachte was initiatiefnemer, hij is de anderen voorgegaan in het geweld. Daarnaast heeft hij ook nog - alleen - een (laatste) geweldshandeling uitgevoerd, een “doodschop” tegen het hoofd van het slachtoffer. Verdachte heeft, door te handelen als bewezen verklaard, het slachtoffer een naar de ervaring leert traumatische ervaring bezorgd en - naar mag worden aangenomen - bovendien bijgedragen aan de in de samenleving levende onveiligheidsgevoelens. Anderzijds heeft de rechtbank rekening gehouden met de houding van verdachte tijdens de terechtzitting en het feit dat hij wil meewerken aan het door de reclassering voorgestelde plan van aanpak van zijn problematiek.
De rechtbank acht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal voorts de bijzondere voorwaarde stellen, dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die hem zullen worden gegeven door of namens de reclassering.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Deze beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 45, 57, 141, 287, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing
De rechtbank beslist als volgt.
Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de reclassering, zolang de reclassering dit noodzakelijk oordeelt.
Geeft de reclasseringsinstelling opdracht de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.
Beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.
Aldus gewezen door mrs. Krijger, voorzitter, De Bie en Van der Hooft, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Erp, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 oktober 2006.